Gelukspech

De niet-motorrijdende motorrijder is een enigszins malle verschijning. Ik bedoel niet de motorrijder die met zijn Honda naar kantoor is gereden, hem bij het bedrijfsfietsenhok heeft geparkeerd, en vervolgens in kantoorkloffie aan zijn werkzame dag begint.

Het gaat mij om de motorrijder die met de dracht van zijn Belstaffjas, banadana-lefdoekie en motorlaarzen duidelijk aangeeft tot de motorrijdende klasse te behoren maar bij wie in geen velden of wegen een Ducati, een BMW of een Triumph valt te bekennen. Een astronaut op de zonneweide van een zwembad: een alien dus.
Zeg maar de motorrijder die in de binnenstad een bakker moet bezoeken, niet voor de deur kan parkeren en daardoor noodgedwongen in vol motor-ornaat en een helmzak aan de schouders enkele honderden meters door winkelend publiek moet afleggen voor een halfje wit en een zak mueslibollen.

Mal, maar het kan. Wat heet, de uitmonstering kan zo’n broodconsument zelfs enige fierheid verschaffen – de ruiter die even van zijn paard is gestapt; zeker wanneer deze erin slaagt met opgeheven hoofd en zelfverzekerde tred langs verveelde stadsslenteraars en koopjesjagers te slalommen.

Total loser

Al minder leuk is de motorrijder die wél vergezeld gaat van zijn Yamaha, maar er niet op zit en met het ding aan de hand een voetgangersgebied moet doorkruisen om verderop weer op de machine te kruipen. Voorbijgangers, niet-wetend en soms geschrokken, kijken naar banden of ketting: ze menen een pechgevalletje op te snuiven.

Dit heeft echter he-le-maal niets te betekenen als je het afzet tegen de motorrijder, de man of vrouw dus in Belstaffpak die met helm onder de arm plaatsneemt in een ov-voertuig. Die ziet zich ogenblikkelijk ingedeeld in de categorie total loser: met de motor gestrand én dan ook nog geen kennissen hebben die deze ongelukkige man anoniem afvoeren vanuit de penarie naar zijn thuisadres.

Oogverblindend

Ik mocht het de afgelopen week beleven. Dat jack is in de trein niet stoer meer, je voeten broeien in de motorlaarzen en van die motorbroek met bretels gaat geen enkele beschermende werking uit bij een treincrash.
Zeer tersluiks nam een schijnbaar append 14-jarig meisje mij op. Een aan de andere kant van het gangpad gezeten dame met rieten mand plus poes kroop weg tegen het raam van de trein om zoveel mogelijk afstand tot mij te creëren.
Op twee banken schuin achter mij hoorde ik stemmen van een kwartet middelbare mannen op weg naar een bedrijfscursus met grappen over willempies en solexen. Ze haalden gierend van het lachen uit. Mijn verschijning had iets bij ze losgemaakt dat anders alleen na het nuttigen van enkele alcoholische consumpties mogelijk zou zijn geweest.

Maar mensen, had ik de treincoupé willen toeschreeuwen, ik héb helemaal geen pech. Ik heb enorm geluk. Over anderhalf uur word ik de eigenaar van een oogverblindend schone Royal Enfield 500 Trials die in een respectabel stadje in de Achterhoek op me staat te wachten.

Dit bericht is geplaatst in blog met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een reactie