Vetjas

Nu de herfst met windvlagen en harde slagregen of met smerige indrupmot om zich heen slaat, gaat het merendeel van onze motorfietsen in retraite. Mogelijk wat herstelwerk in de winter, een doorrottend dempertje vervangen, een gedeukte tank opknappen.

Wij plezierrijders hebben die keus, want we gaan onder dak in de auto of – zucht – de treincoupé.

Tot pakweg zestig jaar geleden was de keus er voor velen niet. Met name motorrijders die er beroepshalve op uit moesten met hun zijspan vol broodbestellingen, om in de polder het land op te meten of om gestrande automobilisten langs de E8 weer op gang te helpen.

Om regen, hagel, wind en vrieskou van het lijf te houden waren alle middelen geoorloofd: van rubber, kapok tot een dikke krant.

De lange jas van leer, gabardine of met een coating van lijnzaadolie, de oliejas, hadden zowel voor als de jaren na de Tweede Wereldoorlog de voorkeur boven tweedelige pakken, bestaande uit een broek en een jasje dat over de heupen valt van onder meer Barbour en Belstaff. Want, zo schreef R. R. Holliday in maart 1950 in MotorCycling, met de lange (leren) jas zie je er er ook nog een beetje representatief uit als je van de motorfiets stapt.

De Drake-jas is ‘waterproof’ dankzij een geoliede tussenlaag van linnen.

Hoewel coureurs in leren pakken – éendelig en tweedelig – over de circuits scheurden was dat op de weg een zeldzaam verschijnsel. Dat zien we pas in latere jaren, als vrijwel iedereen een plek onder een (auto)dak heeft gevonden en de motorfiets voortleeft als een hobbyvervoermiddel.

Weliswaar kwam er in 1945 een einde aan WOII, met dumpkleding van Army, RAF, Royal Navy en – ja wat later – ook de Wehrmacht (zwarte, veter- en ritsloze laarzen!) bleef de oorlog nog jaren aanwezig in het dagelijks (motor)leven.

In 1954 bepaalde ook bij Belstaff de lange motorjas het beeld.

Er moeten enorme hoeveelheden legerkleding in omloop zijn geweest: de advertenties in motorbladen lopen over van het aanbod van betaalbare (tweedehands) legerjacks, -broeken, -capes, -handschoenen, -laarzen en -baretten. Kleding die ook zonder distributiebonnen kon worden aangeschaft.

Op en langs de weg moet het een bonte parade van motorkleding zijn geweest. Waar de een zich wapende met een getwillde tankoverall, gaf de ander de voorkeur aan een Amerikaans bontgevoerd bomberjack, terwijl een derde een met kapok gevoerde oliejas plus een 100 procents wollen marinevest uit de dump haalde. Daaronder was nog ruimte voor een wollen GI-gevechtspantalon. En dan had je ook nog ingenieus vormgegeven lange gabardine jassen die aan de binnenkant waren voorzien van een uitrolbare broek en een zogeheten tummy pad om buik en edele delen tegen snerpende windvlagen te beschermen. Tot slot werd de weg nog bevolkt door motorrijders in vetjas, waarnaast zich ook nog enkelen kleedden in eenzefde type jas van rubber.

In 1960 bood Belstaff naast de korte ‘trial-look’ nog altijd lange jassen.

Geleidelijk verdwenen de uniformstukken uit het straatbeeld en werd de Tweede Wereldoorlog minder en minder zichtbaar. Heel geleidelijk, want zo trok Holliday bij regen nog graag een anti-gascape over zijn lange leren jas. De pantalon propte hij in rubberlaarzen.

Het zijn de zesdaagse-mannen en -vrouwen die de sportievere en lichtere Barbour Suits populair maken. Al vanaf 1936 wordt het Britse zesdaagseteam in Barbour gestoken. Totdat de fabriek zich in 1977 uit de motorsport terugtrekt. De Barbours zijn vetpakken, waarvan de katoenen draad eerst in was is gedoopt. Overigens werd het katoen bij de eerste versies vetjassen alleen uitwendig van een waslaag voorzien.

Grote Engelse motorzaken als Claude Rye en Pride & Clarke hebben in de tweede helft van de jaren vijftig steeds meer specifieke motorkleding in hun collecties. De rubberlaarzen, de ‘wellies’ en de gascapes zijn op hun retour en dan inmiddels ook tot op de draad toe versleten.

In 1960 besteedt MotorCycling in een novembernummer ter gelegenheid van de jaarlijkse motorshow op Earl’s Court in Londen onder de kop Clothes-consciousness een paragraafje aan motorkleding.

Daarin wordt geconstateerd dat de kledingstoffen lichter zijn geworden. Verklaring hiervoor is volgens het motorblad dat vrouwen met de opkomst van de scooter de gemotoriseerde tweewieler hebben ontdekt maar zich niet in zware jassen wensen te hijsen. Het aanbod op Earl’s Court is ook kleurrijker. Veelvuldig wordt pvc in de motorkleding toegepast. De tweedelige pakken rukken op ten koste van de knielange jassen. Daarnaast is ook de trialkleding van Barbour aan een opmars begonnen.

Uiteindelijk houdt ook het vetpak niet langer stand na de introductie van waterwerende en tegelijkertijd goed ademende stoffen als gore-tex.

En de vetjas heet geen vetjas meer: hij wordt gekaapt door paardenmensen en bezitters van ruwharige tekkels. De altijd naar olie en vet geurende jas verdwijnt uit het (motor-)idioom en gaat nu door het leven als waxcoat.

Tot slot heeft de vintage-rage van de afgelopen jaren de vetjas van Belstaff maar ook van de veel schappelijker geprijsde Sunstuff weer back on the track gebracht. Voor een Belstaff Trialmaster (o.a. Termaat Nijmegen) leg je 585 euro op tafel, de Sunstuff (JV Motors Zwartsluis) is voor 150 euro de jouwe.

Dit bericht is geplaatst in blog met de tags , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie