Moraalrijders

Motorliteratuur uit de jaren vijftig volg ik al jaren met extra aandacht. Soms omdat je er iets kunt leren over zoiets als het schadevrij verwijderen van zuigerveren, maar ook om de heerlijk belerende toon waarmee de verhalen over motorrijden en techniek werden geschreven. De schrijvers weten de lezer te verstaan te geven dat bij het sleutelen en rijden nalatigheid voortdurend op de loer ligt én dat er gelukkig een autoriteit is, de schijver van het werk, die ons kan behoeden voor dwalingen.

En ook geeft de toon aan wat we mooi, moreel goed en oké horen te vinden en wat waarschijnlijk ook door een meerderheid van het motorrijdende deel der natie als zodanig werd ervaren. Uitblinker in deze aanpak is wat mij betreft ir. G.W. Rabbers met zijn Motorrijdershandboek. Een vraagbaak voor motorrijders, -toeristen en -liefhebbers (1950).

Naast de noodzakelijke uitleg over de te volgen procedure bij het spannen van een ketting of het uitnemen van een wiel, zijn vooral de hoofdstukjes met Rabbers’ uitspraken over gedrag van de motorrijder, bezien vanuit de huidige tijd, vermakelijk.

Bijvoorbeeld over de zitpositie, de houding in het zadel. Uitgangspunt is zegt Rabbers ‘Maak het u gemakkelijk’. Om te vervolgen dat ‘u nu niet maar als een zoutzak in het zadel moet hangen’. Nee laat dat even duidelijk zijn, de ingenieur heeft het niet op zoutzakken. In een passage over de zithouding van de duopassagier: ‘(…) vervelend zijn die mensen die als een zoutzak achterop hangen, te laat reageren en voortdurend van houding veranderen’.
En de auteur is van het spartaanse. Het Nederlandse zitvlak wordt zijns inziens teveel gepamperd met zachte kussentjes. Nee dan de Britten. ‘In dit opzicht zijn de kussentjes, die in Engeland wel gebruikt werden, heel wat beter ofschoon minder comfortabel’.

Motorduivel

De volgende draai om de oren is voor hen die het oliepeil in de versnellingsbak niet voldoende monitoren. ‘De versnellingsbak is een onderdeel dat zeer bescheiden is in zijn eisen. En toch zijn er nog hele volksstammen, die kans zien op dit punt grove onbillijkheden te bedrijven’.

Leren motorkleding kan Rabbers moeilijk bekoren. ‘Wanneer ze niet zeer goed onderhouden wordt, ziet het geheel er spoedig wat ‘shabby’ uit.(…). Ook is het niet prettig in dergelijke kledij in een restaurant te komen. (..) wanneer men ergens als toerist verschijnt is het noch voor uzelf, noch voor uw omgeving aangenaam als motorduivel binnen te komen’.

Onberispelijkheid was een zeer belangrijke deugd. Na een zeer uitgebreid relaas over de beste manier om de handen na een klusje schoon te maken, besluit Rabbers aldus: ‘Een motorrijder die zelf wat werkjes opknapt, behoeft werkelijk geen onverzorgde handen te hebben. Alleen, houd de nagels kort – zeer lange nagels breken gemakkelijk af en maken dan een zeer onverzorgde indruk’.

Betweters, op de vingerstikkers, moraalridders en -rijders maakten tot ver na de eerste helft van de vorige eeuw de dienst uit. Echter niet alle gezaghebbende motorschrijvers bedienden zich van een belerende toon à la Rabbers.

Zo weet vakgenoot wergtuigbouwkundige ir. A.L.W. Seyffardt zich in zijn Snelheid (1949) en Het Motorrijwiel (1951) doorgaans te beperken tot de technische feiten. Hij haalt niet met gemoraliseer uit naar domoren die er een verkeerde motorlevensstijl op na zouden houden maar levert daardoor ook droger en saaier leesvoer af.
Hoewel ook hem af en toe een vermaning ontsnapt. Bijvoorbeeld als hij zich in Snelheid enigszins opwindt over aspirant-motorcoureurs die een gebrek aan zelfdiscipline aan de dag leggen door zich psychisch en fysiek onvoldoende te harden in het zware vak van coureur. Dat zijn geen mannen als Stanley Woods en Jimmie Guthrie ‘met hun gezonde geest, ontembare wil en moed en een sterk, stalen corpus’. luidt zijn commentaar.

Mede dankzij de nu gedateerde stijl is het een genoegen het Motorrijdershandboek te lezen, door te bladeren. En niet onbelangrijk, het staat vol handige tips en aanwijzingen. Zo over het borgen van een moer met een contramoer. De dunste van de twee is de contramoer en die moet onder liggen. Wist ik niet. Dank u weledelgestrenge heer ir. G.W. Rabbers!

Dit bericht is geplaatst in blog. Bookmark de permalink.

Geef een reactie