Ontdriften

Op het plaatselijke afhaalpunt van Post.nl liggen tussen koffiepads en met de zon meedraaiende buitenparasols een 1/2 inch motorketting en een accu met zuurpakket. De laatstgenoemde artikelen zijn van mij. Ik laat ze er nog even liggen. Ik heb geduld ondanks een aanmaning van Post.nl dat ik mijn boodschappen niet moet vergeten af te halen. Ik heb nog een paar dagen, dus laat ze maar dreigen.

Tot nog niet zo lang geleden bleef ik achter de deur wachten totdat de oranje bus voor kwam voorrijden. Ik griste de bezorger het pakket uit de handen en vloog ermee de schuur in om luchtfilter en sproeier subiet te vervangen.
Nu? Nu kan ik gerust enkele dagen wachten voor ik me bij de afhaalpost meld.

Ik zit in een ontdriftingsproces. Door mijn vaak driftmatige aanpak en overkokend enthousiasme heb ik veel verknald. Te snel, te gretig. Afijn daarover – zeker in mijn Spechtenborst-columns – meer dan genoeg geschreven.

Ik tel nu eerst tot tien.

Mijn drift om na een klein manco’tje zo snel mogelijk weer met de motorfiets de weg op te kunnen probeer ik ermee te beteugelen. Is nodig. Allerlei verstandige ingrepen lapte ik altijd aan mijn laars en ik was voortdurend op zoek naar geitenpaadjes om maar niet de hele olievoorraad uit de motor af te tappen als enkel een scheutje de olie ook weer op een aanvaardbaar peil bracht. Verversen komt later wel. Een beetje lak van het spatbord weggeschuurd als gevolg van zelf veroorzaakte schuifschade bij het demonteren van de kettingkast? Ach joh, als de kast er weer voor zit, ziet niemand er iets van. Daarom rijd ik op houtjetouwtje-motorfietsen. Al meer dan veertig jaar. Voor diepgaand onderzoek en degelijke afwerking is geen tijd. Nooit niet.
Ondertussen ben ik niet blind geweest voor het geduldwerk waarmee de echte liefhebber zijn motorfiets verzorgt en tot in perfecte, bijna showroomstaat opkweekt.

Roer moet maar eens om.

Mijn bekraste en gebutste BSA B40 stond al enkele jaren werkloos op stal. Een paar jaar geleden nam ik me voor nu eens eerst iets te doen aan de slecht afgestelde carburateur. De zeer onregelmatig in- en uitademende gasfabriek werkte me op de zenuwen. Iets teveel boemknalplof. Maar eerst – er moest natuurlijk op een zeker moment worden proefgereden – maar eens afrekenen met een te heftig aangrijpende, naar blokkeren neigende voorrem.

Ik had wat om me heen gebeld, en de insiders bevestigden mijn natuurlijk al aanwezige vermoeden: eerst de remvoering bijvijlen zodat hij wat gelijkmatiger oploopt. Done. Proefrit.

Maar ik kom niet weg. Niet door de nog hortende carburateur, maar de koppelingsplaten komen niet los. Als ik de koppeling intrek en ‘m in de één zet, slaat de motor af: er wordt niet ontkoppeld. Geeft niet, eerder meegemaakt, ouwe truc, even voorwiel tegen muur plaatsen en dan komen de platen door de tegendruk vanzelf vrij. De muur van mijn schuur noch de muur van mijn woning sorteren het beoogde effect. Aan de muur ligt het dus niet.

Deze week keer ik na jaren van daaropvolgende affectieve verwaarlozing weer terug naar de B40. Kom op jongen, ik ga nu eens goed voor je zorgen. Niet meer met een lapmiddeltje om zo snel mogelijk op weg te kunnen maar met geduld en degelijkheid. En problemen niet wegwuiven maar manmoedig in de bek durven kijken.

Zo kan het gebeuren dat ik ook oog krijg voor de achterketting die er beroerd bij hangt en niet nog eens een keer strakker kan worden gesteld. Hij is echt op, evenals de accu die weliswaar nog altijd 8 volt levert en de ontsteking aan de praat krijgt. Maar nee, ze worden vervangen.
En nu dus niet als een gek naar het postkantoortje, maar gewoon even laten liggen.

Dit bericht is geplaatst in blog met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een reactie